Patiënt overleden: de nabestaande start een tuchtprocedure

Een vaatchirurg werd na het overlijden van een patiënt aangeklaagd door de partner. De chirurg had stents geplaatst in meerdere slagaderen. De operatie verliep voorspoedig en leek in eerste instantie geslaagd. Na de operatie steeg na verloop van tijd de waarde van het lactaat: er werd gezocht naar de oorzaak. Deze werd echter (te) laat gevonden en de patiënt overleed. Was dit de vaatchirurg te verwijten? De volgende uitspraken laten zien hoe verschillend het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege hierover oordeelden.

Het Regionaal Tuchtcollege

Wat was de oorzaak van een verhoogd lactaat? De chirurg had geen vermoeden van een obstructie van de stents. Er was namelijk een goed lijkende controle angiografie gemaakt. Rekeninghoudend met de omstandigheden vermoedde hij een dikke darm ischemie: ter controle liet hij een sigmoïdscopie uitvoeren. Het Regionaal Tuchtcollege vond dit een verkeerde keuze: gezien een mogelijke constructie van stents had een CTA uitgevoerd moeten worden. Achteraf gezien had dit onderzoek de oorzaak inderdaad eerder achterhaald. Het college verweet de chirurg ook dat hij voet bij stuk hield en zijn handelen bleef verdedigen. Het onjuiste handelen en het gebrek aan inzicht leidde tot een berisping. De chirurg ging in hoger beroep.

Het Centraal Tuchtcollege

Waar het Regionaal Tuchtcollege meer lijkt te oordelen op basis van een eigen (ook mogelijk) vermoeden en de feiten achteraf, had het Centraal Tuchtcollege meer oog voor de onduidelijkheid op het betreffende moment en de argumentatie van de chirurg. Het college was het met de chirurg eens dat in de gegeven situatie, waarbij sprake was van een fraaie controle angiografie, een vermoeden van een dikke darm ischemie verdedigbaar was. Een sigmoïdscopie paste bij dit vermoeden. Daarbij overwoog het college het volgende: ‘Dat achteraf is gebleken dat deze keuze tot kostbaar tijdsverlies heeft geleid, maakt niet dat daarmee die keuze onjuist is en daarmee tuchtrechtelijk onder de maat is geweest.’ De klacht werd alsnog ongegrond verklaard.

Conclusie

Ondanks dat een zorgverlener zich volledig heeft ingezet voor het welzijn van zijn patiënt, kan achteraf blijken dat andere keuzes tot beter resultaat hadden geleid. Dit kan voor patiënten/nabestaanden reden zijn voor het indienen van een tuchtklacht.

De uitspraken laten zien dat, in geval van een tuchtklacht, het volgende van groot belang kan zijn voor zorgverleners:

  1. De opname van de argumentatie betreffende de behandeling in het patiëntendossier.
  2. Een zuivere weergave van de feiten en omstandigheden in het verweer, los van de gevolgen achteraf.
  3. Ook het werk van tuchtcolleges is mensenwerk. In hoger beroep is het mogelijk het handelen nogmaals te laten toetsen. In dit geval bleek dat een berisping niet op zijn plaats was en de chirurg terecht vasthield aan zijn overtuiging van juist handelen.